Pioniers

Hippocrates
:
(460 – 359 B.C.)
Vincentius Priesznitz
:
(1799 - 1851)
Louis Kuhne
:
(1840 - 1929)
K.L. Sarma
:
(1879 – 1965)

De Natuur Geneest



HIPPOCRATES
(460 – 359 B.C.)

Vader van de Medische Geneeskunde
Benoemer van VIS Medicatrix Natura

"Alle ziekten zijn in werkelijkheid zelfreinigende verrichtingen
van de Natuur. Geef me tijd en ik zal iedere ziekte genezen.
Laat uw voeding uw medicijn zijn en uw medicijn uw voeding.
De Natuur Geneest."

Het getuigt overduidelijk van een ongelofelijke intelligentie dat het lichaam is opgebouwd uit een klein, microscopisch stukje protoplasma tot zijn huidige vorm. Het zou dus even overduidelijk moeten zijn dat de Natuur ook kan genezen. Neem bijvoorbeeld de genezing van een bloedende open wond. Een weinig van het bloed stolt en vormt een luchtdichte korst die als een beschermende laag fungeert. Dit voorkomt het binnendringen van bacillen en andere schadelijke stoffen. Onder die korst gebeuren fantastische dingen. Het bloed stroomt in grote hoeveelheden naar de wond. Het weefsel, de zenuwen, spiercellen en dergelijk rond de wond beginnen zich in hoog tempo te vermenigvuldigen om een brug van cellen te bouwen over de wond en de gescheiden uiteinden weer aan elkaar te verbinden. Niets gebeurt zomaar. Bloedvaten verbinden zich met andere bloedvaten om de circulatie te herstellen, bindweefsel begint aan te groeien, spieren en zenuwen verbinden zich weer aan elkaar. Pas als de wond totaal genezen is en de nieuwe huid is gevormd laat de korst los en valt er af wanneer hij niet meer nodig is, missie voltooid!

Welk beter bewijs valt er te leveren van de natuur en een intelligent ingebouwd mechanisme, dat zich zelf aanstuurt, zich zelf onderhoudt en zich zelf geneest? Net zo evident als de wet van de zwaartekracht, is de neiging van het lichaam tot herstel en het terug brengen tot de normale staat.

Maar door onze verkeerde manier van leven en het voortdurend misbruik van de functionerende organen belasten we het natuurlijk herstellingsvermogen te zeer, haar aandacht en kracht wordt verdeeld en haar effectiviteit verminderd. Het is een misvatting te denken dat medicijnen en geneesmiddelen ziekten genezen. Niets zal ziekten werkelijk genezen totdat de werkelijke oorzaak ervan is verwijderd en het natuurlijk herstellend vermogen heeft plaatsgevonden. Het onderdrukken van symptomen door medicijnen wekt slechts de illusie dat de genezing heeft plaats gevonden. Maar de symptomen herhalen zich. Voortdurende herhaling maakt de ziekte onomkeerbaar en chronisch. Vandaar dat het absoluut belangrijk is om de prioriteit van het voorkomen van de oorzaak van de ziekte te leggen bij een verkeerde levensstijl. Zowel patiënten als artsen lijken ervan overtuigd te zijn, dat medicijnen die de symptomen bestrijden de natuur een kans geven om zich te herstellen, maar zonder de daadwerkelijke oorzaak weg te nemen is er geen echte kans op genezing. Dit zorgt er alleen maar voor dat de ziekte hardnekkiger en chronisch wordt. Andersom, als eerst de oorzaak is verwijderd en de natuurlijke krachten worden bijgestaan en versterkt door middel van natuurlijke methoden, kan dit de genezing versnellen.

Medische wetenschappers en onderzoekers zijn zich volledig bewust van en hebben veel respect voor het Natuurlijke vermogen dat bouwt en hersteld. Ze proberen er meer over te weten te komen, van de werkelijke aard ervan, sinds de tijd van Hippocrates, die dit natuurlijke vermogen Vis Medicatrix Naturae noemde. Andere benamingen hiervoor zijn Prana, Vital Power (Levenskracht), Elan Vita (Levenselan) en dergelijke.




Vincentius
Priesznitz
(1799 - 1851)

Grondlegger: Op 4 Oktober 1799 werd Vincentius Priesznitz, de grondlegger van de moderne hydrotherapie (watergeneeskunde) geboren. Priesznitz was een Silezische boer, die, ondanks zijn gebrek aan theoretische kennis, een van de grootste weldoeners van de mensheid zou worden. Hij was verantwoordelijk voor de grootschalige invoering van de hydrotherapie. Door zijn behaalde successen werd hij nagevolgd door zoveel leerlingen, dat men kan zeggen dat hydrotherapie de traditionele medicinale geneeskunde bijna voorbij streeft.

Omstandigheden: De omstandigheden van zijn tijd werkten in het voordeel van Priesznitz. Er bestond, onder vooruitstrevende medici, al langer de behoefte aan rationele geneesmiddelen. In de vooruitgang van de natuurwetenschap vonden zij een weerwoord op de, volgens hen nietszeggende, traditionele geneeswijze. Zo werd de weg geëffend voor de natuurgeneeskunde, waaronder elektrotherapie, dieet, massage en vooral de hydrotherapie vallen.

Afwijzend: De traditionele medici stonden absoluut niet positief tegenover deze hervormingen, waardoor de verspreiding van deze nieuwe kennis in handen was van leken.

Zelfs nu veel genezers niet meer afwijzend staan tegenover hydrotherapie en het een algemeen erkende vorm van behandeling is, vormt het nog steeds geen onderdeel van het medisch studieplan. Gezien het aantal kuuroorden, waar waterbehandeling toegepast wordt, is het duidelijk dat er wel dringende behoefte daaraan bestaat. Dit is nog afgezien van het feit dat “de moderne, meer mechanische opvatting van de fysiologische processen in het menselijk lichaam beter aansluit bij de fysische therapie dan de medische,” zoals dr. Emmel in zijn werk “Hydrotherapie” stelt.

Toeval: Toen Priesznitz aan zijn werk begon, waren de omstandigheden dus grotendeels ten voordele van hem. Maar dat is natuurlijk niet de enige voorwaarde om een nieuw soort therapie te ontwikkelen. Hij bleek ook de juiste eigenschappen te bezitten: een natuurlijke subtiliteit, scherpzinnigheid en een sterk observatievermogen. Zoals de meeste grote ontdekkers en uitvinders kwam ook hij door toeval op zijn ideeën.

Oorsprong: Aan de voet van de Goldkoppe en de Gräfenberg, twee toppen van de Sudeten, ligt het Oostenrijkse-Silezische stadje Freiwaldau. Priesznitz zelf stamt uit een oude familie, die daar nu nog talrijk vertegenwoordigd is. De naam Priesznitz komt al voor in de oudste oorkonden van de streek en leeft ook in de sagen van het land voort.

Toen Vincentius acht jaar oud was, werd zijn vader blind. Omdat hij daardoor veel moest werken op de landerijen, kon hij de volksschool niet geregeld bezoeken. Rond zijn 12de moest hij regelmatig het vee in de Gräfenberger wouden laten grazen. Op een dag lag hij bij een beek, de zg. Priesznitzbron, in het struikgewas en hoorde hij geweerschoten van een jachtpartij. Kort daarna zag hij een gewonde ree hinkend naar de beek komen, zijn wonden likken en zich in het water baden. Na een lang bad ging de ree weer weg, om korte tijd later weer terug te komen en nog een keer te baden. Dit herhaalde zich dagenlang, meerdere keren per dag, maar steeds minder vaak, tot het dier, vrijwel zeker compleet hersteld, niet meer terugkwam. Deze toevallige ontmoeting was zijn eerste ervaring met de genezende kracht van het koude water. Hierna zag hij dat ook zijn huisdieren na ziekte voorspoedig genazen door het koude water. Dit bracht hem op het idee om zijn eigen verwondingen ook te behandelen met water. Het resultaat was verbluffend. Dit overtuigde hem ervan om ook bij anderen water aan te bevelen bij verwondingen.

Korte tijd later werd hij door een ongeluk gedwongen om dit verder te onderzoeken. Toen hij zeventien was, viel er een volgeladen wagen boven op hem en werden zijn ribben ingedrukt. De Freiwaldauer geneesheer verklaarde hem ongeneeslijk en stelde hem levenslange pijn in het vooruitzicht. Vincentius legde koude wateromslagen aan, waardoor hij zich snel wat beter begon te voelen. Het lukte hem op een stoel te gaan zitten en door zijn adem in te houden de ingedrukte ribben weer in de normale positie te krijgen. Daarna zette hij de waterbehandeling met zo’n toewijding voort dat hij, zonder wondkoorts te krijgen, na enkele dagen alweer rondliep: “Ik bewerkte langzamerhand een algehele verdrijving van het kwaad,” vertelt hij zelf, “zodat ik na jaar en dag niet de minste pijn ondervond, alle lichamelijke bewegingen met gemak kon doen en waarbij geen kwade gevolgen overbleven”.


Het eerste begin van de waterkuur 1816 – 1817 door Priesznitz

De idioot: Sinds die tijd werd het vertrouwen van de jonge boerenzoon in de geneeskracht van het koude water onaantastbaar. Steeds vaker raadde hij dit aan bij uitwendige verwondingen en paste de behandeling ook toe. Omdat zijn kuren meestal succesvol verliepen, bouwde hij al snel een goede naam op, niet alleen in zijn geboortestreek, maar ook verderop. Op zijn 19de werd hij al regelmatig bij zieken in Moravië en de Bohemen geroepen. Zolang hij slechts de armen genas, noemde de inheemse bevolking hem een wondermens en weldoener. Maar toen er bemiddelde vreemdelingen verschenen en zich erkentelijk toonden, kregen ze vaak te horen als ze op de Gräfenberg naar zijn woning vroegen: “U wilt naar de waterdokter? Niet doen, dat is een idioot!” Deze opvatting veranderde toen de boeren dankzij “de idioot” rijke badkuurgasten als huurders kregen, waaraan ze flink geld konden verdienden.

Kuuroord: Dankzij zijn talent voor natuur, ervaring en oefening, ontwikkelde Priesznitz binnen enkele jaren een verrassend aantal individualiserende toepassingen van het koude en lauwe water. Door waarneming en nadenken kwam hij op de zit-, half-, hoofd-, voet- en ogenbaden, de begietingen, de pakkingen, het blootsvoets wandelen op het natte gras enz. Dankzij de ongehoorzaamheid van veel patiënten, kwam hij ook op ideeën om zijn behandelingen te verbeteren. Het succes van Priesznitz maakte dat Gräfenberg binnen korte tijd een geliefd kuuroord werd. In 1829 kon al een badgastenlijst – toen nog met de hand geschreven – worden uitgegeven.

Literatuur: In de jaren dertig en veertig (van de 19e eeuw) kwam er een hele literatuurstroom op gang over de nieuwe hydrotherapie, vol lof over de ontwikkelaar hiervan. Er wordt veel in overdreven, maar er zijn toch ook hoogst interessante dingen in terug te vinden. Professor Oertel, een erg geestdriftige hydropaat uit Ansbach, schrijft bijvoorbeeld in zijn tijdschrift. “De allernieuwste waterkuren” (deel IV) over een dagboek van de Vorstelijk Lichnowskyschen Resident Johann Knur te Ratibor als volgt: Knur, die al tien jaar lang tevergeefs genezing voor zijn ernstige jicht- en aambeienkwaal had gezocht, ging in Oktober 1828 naar Gräfenberg en voelde zich op de vijfde dag al “zeer wel, zeer gemakkelijk, opgewekt”. Na twee weken keerde hij huiswaarts, waar hij de kuur nog een maand voortzette. “Ik voel dat de bloedsomloop beter geworden is en de pijn van de jicht verdwenen is. Ook de opgezwollen klieren in de keel van mijn zoon zijn geheel genezen tengevolge van het bad en het zweten.” Drie jaar later schrijft hij: “Sinds deze kuur ben ik niet alleen van mijn aanval van jicht en kruispijn bevrijd – geheel verjongd, vrolijk en krachtig voel ik mij … en mijn echtgenote is van een meer dan dertig jaar lange, elke medische hulp trotserende ziekte, door het wassen met het koude water en het daardoor veroorzaakte zweten binnen enkele weken genezen … Zo zijn mensen! Slechts in het meest gekunstelde willen ze geneesmiddelen hebben, terwijl men het natuurlijke geschenk aan de mensheid miskent en in twijfel trekt.” Een andere keer merkte hij profetisch op: “Ik zie vooruit, dat deze geneesmethode in de wereld grote sensatie zal verwekken.”

Lof: Gedurende zijn verblijf te Gräfenberg bezocht Knur Priesznitz, om hem de verkregen getuigenissen te tonen, waarin: “ik … de grootste lof over zijn geneesmethode en vriendelijkheid voor zijn medemensen kon zien. Uit Wenen bijvoorbeeld kwam een ridder bij hem, die twintig jaar tevergeefs alle mogelijke hulp had gezocht en door hem in korte tijd werd genezen. De aartshertog Anton liet hem bij zich te Wenen komen, om de man, die slechts een edel doel diende, te leren kennen. Iedere brief, die ik las, is vol van dank en van de betuiging, dat de kwaal niet terugkeerde …. Priesznitz’ methode, die de natuur te hulp zoekt te komen en met deze zich te verenigen, is bepaald het zekerste middel, zich gezond te gevoelen … En omdat het water zo eenvoudig, zonder kosten en door iedereen overal is te gebruiken, is het ook aan ieder aan te raden”.

Zo schreef ook Heinrich Laube in “Een seizoen te Gräfenberg” (1836): “Dat de lezers de hoofdzaak niet vergeten – dat het Gräfenberger water onschuldig, alledaags water is, zonder de geringste bijvoeging, alleen water, zoals men overal kan vinden, goedkoop en zonder smet”.

Wondermiddel: Een ander beroemd schrijver, die zich in zijn jeugd onder de hoede van de “waterdokter” stelde, is Hieronymus Lorm. Hij publiceerde in 1848 een nu vergeten, maar pakkend boek: “Gräfenberger Aquarel”. Hij schrijft: “Met ijzeren nauwgezetheid wijst Priesznitz die zieken terug, voor wie, naar hij gelooft, zijn behandeling zonder succes zou zijn”. Hiermee weerlegt hij in feite het idee, dat door de dankbare genezen patiënten werd verspreid, dat het water een wondermiddel tegen alle ziekten zou zijn. Noch de voorspraak van de meest invloedrijke personen, noch zijn eigen medelijden, dat hij koesterde voor elke patiënt, noch de grootste beloningen konden hem van zijn principes afbrengen.

Kwaadsprekers: Ook kwaadsprekers brachten hem niet van zijn principes. En er is heel veel kwaadgesproken over hem en zijn geneeswijze! Zo werd er beweerd, dat hij alleen acute en geen chronische kwalen kon genezen. Hij genas alleen maar pro forma, hij deed het voorkomen alsof het water, vooral het koude water, een panacee was en hij drong iedereen onmatig water drinken op. Naast het feit dat hij ook veel belang hechtte aan dieet en de bovengenoemde citaten uit Knur e.a., is er een schrijven van 17 December 1878 dat als weerlegging van de twee laatstgenoemde beschuldigingen kan dienen: “Ik kwam in 1846, begin Juli te Gräfenberg aan, lijdend aan maagkrampen, die anderhalf jaar lang door de medische beroemdheden van Brünn en Wenen tevergeefs bestreden werden. Dadelijk bij de eerste raadpleging zei Priesznitz tot mij: “Met water alleen kan ik U niet gezond maken, U heeft ook luchtbaden nodig; ja, als ik niet eenmaal al water had, dan zou ik met de lucht alleen genezen!”

Autodidact: Al is het vanzelfsprekend dat de streek, het klimaat en de waterrijkdom van de Gräfenberg van uiterst onschatbare waarde waren voor Priesznitz, zijn succes kan vooral worden toegeschreven aan het feit dat hij zoals dr. E. Kapper dat uitdrukt in “Het waterkuuroord Gräfenberg-Freiwaldau”: “autodidact was en in de juiste tijd op de juiste plaats optrad”. Volgens zijn theorie is iemand die zich zelf onderricht, meer geneigd om een ongebaande weg in te slaan en de dingen te bekijken met andere ogen dan iemand die academisch gevormd is. Zo kon Priesznitz, ondanks zijn gebrek aan geneeskundige en anatomische kennis, baanbrekend werk verrichten en talloze succesvolle kuren ontwikkelen.

Afgunst: Hoe bekender hij hierdoor werd, des te meer kreeg hij te maken met afgunst. Vooral van artsen en geestelijken had hij veel uit te staan. Hij vond echter troost in de erkentelijkheid van zijn genezen patiënten en van menig deskundige, evenals in de gelukkige echt met zijn nicht Sophie.


Vincentius Priesznitz en zijn vrouw

Kurhaus: In “V. Priesznitz, een levensbeschrijving”, door dr. G. Selinger, de gestorven leider van de academie van het Oosten te Wenen, lezen wij: “Omdat inmiddels de gunstigste berichten over het karakter en de geneeskundige behandeling van Priesznitz waren binnengekomen, volgde in 1831 de inwilliging voor de oprichting van een eigen badinrichting.” Daarmee doelt hij op het enkele jaren later geopende grote “Kurhaus”. De aantijgingen van plaatselijke geneesheren noodzaakten de regering een hooggeplaatste commissaris van onderzoek te zenden. Zijn verslag was vol lof over Priesznitz en de aanklagers zwegen eindelijk. Zijn vroegere tegenstanders lieten zich door de “kwakzalver” van ernstige ziekten genezen en veranderden in ijverige apostels van de natuurgeneeskunde. De verbreiding hiervan is mede aan hen te danken.

Patriarchaal: Zolang de langzamerhand wereldbekend geworden Priesznitz leefde, ging het er in Gräfenberg zeker patriarchaal aan toe. De typische beschrijving van de toestanden door Laube en Lorm zijn zeer de moeite van het lezen waard. Het hele gezelschap badgasten – meestal Hongaren, Pruisen, Polen, Fransen en Engelsen – at gemeenschappelijk onder het toezicht van Priesznitz, die regelmatig als gevolg van ernstig slaapgebrek aan tafel insliep. Het dieet was streng en roken was verboden.

Lotus: Er werd ook veel nadruk gelegd op wandelen. Lorm vertelt, dat men in zijn tijd de grap maakte, dat de Gräfenberger badgasten leken op de lotusaanbidders, die in India de heilige rivier de Ganges aanbaden, waarin de lotusbloem groeit. Het mag geen wonder heten, dat de Gräfenberger gasten, die geen baat vonden bij de traditionele geneeskunde, zich volledig richtten op hun redder. Bij leven kreeg hij dan ook een groot aantal steen- en erts gedenktekenen in de vorm van beelden en bronuitmondingen.

.
Priesznitz’ Mausoleum

Zijn dood: Hij stierf op 28 November 1851 op 52-jarige leeftijd. Velen verwonderden zich erover dat een groot gezondheidsleraar, een strikte voorstander van de natuurlijke levenswijze, een liefhebber van lucht, water, eenvoud en matigheid, zo vroeg stierf. Toch is dit gemakkelijk te verklaren. Als eerste was hij buitengewoon overwerkt en had geen tijd om uit te slapen, ten tweede mag zijn ribfractuur niet vergeten worden.

Bij de autopsie op zijn lichaam, die hij zelf aangevraagd had, waren de artsen zeer verbaasd. Zijn lever, nieren en longen waren ernstig aangetast. De dokters verklaarden dat het hoogst waarschijnlijk was dat hij door het opvolgen van zijn eigen hygiënische stelregels zo lang nog geleefd had. 




Louis Kuhne
(1840 - 1929)

De Kuhne-kuur of de Kuhnesche geneesmethode, heeft zijn naam te danken aan Louis Kuhne uit Leipzig. Volgens Kuhne hebben alle ziekten dezelfde oorsprong en dienen dus ook als zodanig behandeld te worden.

Volgens de Kuhnesche theorie is er slechts één ziekte, die zich op veel verschillende manieren openbaart. Deze “ene” ziekte ontstaat doordat zich in het lichaam vreemde stoffen, ziekteverwekkers of ziektestoffen, ophopen. Deze stoffen dragen niet bij aan de opbouw en het onderhoud van het lichaam. De uitscheidingsorganen, darmen, nieren, huid en longen, kunnen ze zonder inspanning niet of nauwelijks verwerken en uitscheiden. Deze lichaamsvreemde stoffen ontstaan in de eerste plaats doordat de mens meer eet dan strikt noodzakelijk is voor de aanvulling van verbruikte voedingsstoffen. In de tweede plaats komen ze van voeding die fysiologisch niet nodig is voor de mens, of voedsel dat bedorven is, zoals vlees, specerijen, koffie, thee en alcoholhoudende en narcotische dranken als wijn, bier, brandewijn, enz. Deze producten bezitten weinig of geen voedingswaarde. Bovendien wordt het lichaam door deze stoffen zodanig geprikkeld, dat er daarna natuurlijkerwijze een verslapping volgt. Hierdoor kunnen organen verzwakken en hun functie niet meer goed vervullen.

Dan zijn het de algemeen gebruikte geneesmiddelen, producten als tabak en vaccinaties, die in het lichaam komen als lichaamsvreemde stoffen en die niet, of bijna niet worden uitgescheiden en zo als ziektestoffen achterblijven. Ook andere stoffen dringen het menselijk lichaam binnen, zoals smog, luchtvervuiling, allerlei soorten desinfecterende middelen, stof enz. die zich eveneens als lichaamsvreemde stoffen in het organisme nestelen. Uiteindelijk blijven de zogenaamde moeheidstoffen, dat zijn de verbruikte afgedane delen van de organen, die door een verkeerde levenswijze in het lichaam zijn gekomen achter, in plaats van dat ze in de bloedstroom terecht komen en hierdoor worden afgevoerd.

Volgens alle levensbeheersende natuurwetten probeert het organisme deze lichaamsvreemde stoffen uit te scheiden omdat ze overvloedig en zelfs schadelijk zijn. Deze stoffen worden naar de lichaamsuitgangen van met name het onderlijf afgevoerd, maar hopen zich daar op, omdat de uitscheidingsorganen niet zoveel tegelijkertijd kunnen afvoeren. Van hier uit dringen ze dan langzamerhand door naar de lichaamsuitsteeksels en, volgens de fysische wet van de zwaartekracht, zetten ze zich vast op de plek die door de meest ingenomen houding als laagste punt fungeert, aan de rechter- of linkerzijde van het lichaam of op de voor- of rugzijde. De ene persoon merkt zo goed als niets van dit vastzettingsproces en bij een ander persoon kan het rillingen, spiertrekkingen in de ledematen, een onverklaarbare onrust of een algeheel onbehaaglijk gevoel veroorzaken. In het algemeen lijken de verschijnselen op het begin van koorts en griep.

De stoffen die zich vastzetten zijn afval- en gistingsstoffen. Gisting ontstaat door ontleding of verrotting van verschillende organische substanties en wordt dus veroorzaakt door afvalstoffen. Door een bepaalde uitwendige of inwendige toestand, zoals verkoudheid, koorts, emoties of iets dergelijks, komen de vastgezette afvalstoffen tot leven. Ze gaan gisten en beginnen zich voort te bewegen. Door het lymfesysteem van het lichaam te volgen gaan ze naar boven en omhoog naar de huid. Als deze stoffen zich niet kunnen verplaatsen, zetten ze op dezelfde plek uit, waardoor er een uitwendig gezwel (bijvoorbeeld een kropgezwel), of een inwendig gezwel (poliep, emfyseem, verharding) ontstaat.

Ze kunnen ook naar de onderste ledematen, benen en voeten, zakken. Hoe dan ook, ze willen zo ver mogelijk van de plaats van vastzetting weggaan en dringen daarom door tot in de meest afgelegen delen van het lichaam, hoofd, nek, handen, voeten, vingers en tenen. Van hieruit kunnen ze niet verder. Meestal is het ook niet mogelijk om naar buiten te gaan door de huid, omdat deze ongeschikt en zwak is geworden door gebrekkige verzorging of een verkeerde levenswijze. Het kan ook zijn dat de huid nog wel enigszins normaal functioneert, maar niet direct de plotselinge opkomst van zoveel vreemde stoffen aankan en de poriën niet voldoende kan openstellen.

Het kan gebeuren dat de uitscheidende functie van de huid verminderd of geheel onderdrukt is en darmen, nieren en longen ook niet meer behoorlijk werken. De vastgehouden afvalstoffen in de weefsels van het lichaam veroorzaken dan pathologische veranderingen, die de normale lichaamsvorm langzamerhand geheel vervormen. De weefsels worden harder, spieren die normaal zacht aanvoelen zullen zich spannen en bij bewegingen zullen deze spanningen bijzonder duidelijk zicht- en voelbaar worden. In andere gevallen veroorzaakt de aanwezigheid van afvalstoffen in het lichaam een zwelling hiervan, dus een grotere omvang van dat lichaam. Dit is onder andere te zien aan de volgende dagelijkse voorbeelden. Bijvoorbeeld: een persoon die lijdt aan ernstig overgewicht, van wie het lichaam door afvalstoffen is opgezwollen, of bijvoorbeeld magere personen, waarvan de een meer en de ander minder sterke spanning van de weefsels vertoont.

Zoals hierboven is uitgelegd, proberen afvalstoffen naar de lichaamsuitsteeksels te dringen. De hals is als het ware een vernauwing tussen hoofd en romp en vooral op deze plaats is vastzetting van de vreemde stoffen duidelijk waarneembaar. Volgens Kuhne kan men zowel aan de hals als aan het hoofd vrijwel met volledige zekerheid aflezen hoe de afvalstoffen in de rest van het lichaam zich verhouden, door opgetreden veranderingen als knobbels, spanning enz. Dat wil zeggen, men kan duidelijk de wegen door het lichaam volgen die al zijn afgelegd door de afvalstoffen en de toekomstige beweging daarvan voorspellen. Hierdoor kan men ook direct de aanleg voor toekomstige ziekten herkennen. Simuleren is zo niet meer mogelijk. Deze methode van onderzoek naar ingetreden lichamelijke stoornissen en ook het herkennen van de aanleg voor toekomstige ziekten, noemt Kuhne: De gezichtsuitdrukkingskunde

De verschillende graden van belasting en hoezeer de afvalstoffen stijgen van voren of van achteren, van links of rechts, kan men duidelijk zien aan de hals en aan het hoofd. Daarbij moet gekeken worden naar de kleur en de verdere hoedanigheid van de huid, evengoed als de warmte of koude, de vochtigheid en droogte, de glans van de ogen, het voorkomen van de haren en nog naar vele andere kenmerken. De vorm en gestalte van ouders en de manier waarop hun lichaam belast wordt, is erfelijk. Kuhne zegt dat het daardoor mogelijk is, reeds voordat de ziekte bij een individu tot uiting komt, de ziekte van bepaalde organen te voorspellen.

Het dieet bij de Kuhnekuur is zuiver plantaardig. Dit dieet wordt door alle vertegenwoordigers van de Kuhnekuur bij bijna alle ziekten voorgeschreven.

Wanneer wij nu weten, dat vreemde stoffen slechts door overvoeding, i.e. slechte spijsvertering, in het lichaam komen, hoe voorkomen we dan die overvoeding of slechte spijsvertering? In het kort volgen hier nog enkele verklarende voorbeelden uit het dagelijks leven.

Bijvoorbeeld: Een zeer dik en corpulent persoon, die zelf beweert dat hij slechts weinig kan eten en drinken en daarbij klaagt dat hij steeds dikker wordt. Deze man lijdt aan overvoeding. Een ander vertoont juist het tegendeel. Hij is schriel, mager en uitgeteerd, ofschoon hij erg veel, naar zijn idee voedzame producten, eet en drinkt. Lettend op de hoeveelheid die hij dagelijks geniet, zou hij zich in een heel andere voedingstoestand moeten bevinden. Het voedsel gaat wel door zijn lichaam, maar dat is niet in staat de voedingsstoffen er goed uit te halen. Zo verlaat een groot gedeelte van het voedsel het lichaam ongebruikt, of tenminste onvoldoende gebruikt. Hieruit wordt duidelijk dat slechts het door het lichaam gaan van voeding niet automatisch een normale spijsvertering betekent, zoals dit door velen, ook door medici, aangenomen wordt. De twee genoemde personen vertonen een duidelijke tegenstelling. De eerste laat zien, hoe hij met weinig eten en drinken dikker wordt, terwijl de laatste met veel eten en drinken magerder wordt. Ondanks deze schijnbare tegenstrijdigheid is de oorzaak van de kwaal in beide gevallen hetzelfde: namelijk een slechte spijsvertering of overvoeding.

De meest voedzame en geschikte producten voor ons lichaam zijn die voedingsstoffen die het snelst en gemakkelijkst te verteren zijn. Dat zijn dus niet kaas, eieren, vlees, wijn, bier, extracten, cacao, koffie, thee enz. Hoe sneller het lichaam voedsel kan omzetten, des te meer zal het ervan kunnen verwerken en des te meer levenskracht zal eruit voortkomen. Oftewel, de hoeveelheid levenskracht, die opgewekt moet worden, hangt enkel en alleen af van de lichte verteerbaarheid van de voedingsmiddelen. Hoe moeilijker eten te verteren is, hoe langer het werk duurt, dat het lichaam voor de vertering nodig heeft.

Wie zwaar te verteren voedsel eet, moet, als hij zijn lichaam geen schade wil doen toekomen, te allen tijde wachten met de volgende maaltijd, totdat de vorige voldoende verteerd is. Dat is tegenwoordig echter zelden het geval, omdat moderne levensgewoonten vasten in de weg staan. Tegenwoordig is de ware betekenis van het vasten over het algemeen genomen onbekend. In de natuur daarentegen komt overal een zekere vastentijd voor. Slangen vasten bijvoorbeeld wekenlang nadat zij een rijkelijke maaltijd hebben gehad. Verder legt de natuur dieren in het vrije veld een bijzondere vastentijd tijdens de winter op. Reeën, hazen en andere dieren voeden zich dan weken- en maandenlang zeer spaarzaam en kunnen daarbij toch alle ontberingen van een koude wintertijd verdragen. Als deze dieren ‘s winters evenveel voedsel tot zich zouden nemen als ‘s zomers, worden zij ongetwijfeld ziek en zijn ze niet in staat de winterkou te verdragen. Koude verhindert namelijk het gistingsproces, dus ook dat van de spijsvertering. Vandaar dat de hoeveelheid voedsel, dat bij zomerwarmte nog gemakkelijk te verteren is, tijdens de ijzige winterkou minder licht verteerbaar is.

De mens let eigenlijk helemaal niet op de vastentijd, die door de natuur bepaald is. Integendeel, in de winter wordt er vaak rijkelijker getafeld dan in de zomer. Het algemene misverstand is dat men in de winter flink moet eten om de kou beter te kunnen verdragen. Deze opvatting is in strijd met alle natuurwetten. Het wordt als normaal gezien om in de winter wat “wintervet” aan te laten groeien. Men beseft echter niet, dat daardoor in veel gevallen, bij weersverandering in het voorjaar, de kiem voor allerlei ziekten wordt gelegd.

Hoe kan men overvoeding voorkomen? Nu het duidelijk is dat ziekten enkel door overvoeding ontstaan, is de conclusie dat het van groot belang is wat wij eten, in welke vorm wij het voedsel gebruiken en waar wij het eten. Zoals al eerder is gezegd: makkelijk te verteren voedingsproducten gedijen het beste voor het lichaam. Bij goed verteerbare kost is het onmogelijk om last te hebben van overvoeding of slechte spijsvertering. Het komt er dus als eerste op aan te bepalen wat het lichtst verteerbare voedsel is en wat daarbij ook de meeste levenskracht schenkt. De beantwoording van deze veelomvattende en omstreden vraag is even eenvoudig als alle oplossingen in de natuur: Alle voedingsmiddelen, die we in hun onveranderde natuurlijke toestand kunnen en willen eten, zijn ook de lichtst verteerbare en schenken ons de meeste levenskracht. Men moet hierbij denken aan fruit en groenten. Al het voedsel, dat wij door koken uit zijn natuurlijke substantie omzetten, verliest aan verteerbaarheid en verschaft ons niet die levenskracht, die het onveranderde voedsel ons wel geeft. Hoe meer de voedingsmiddelen door koken, kruiden en toebereiding uit hun oorspronkelijke vorm worden omgezet, des te moeilijker zullen zij in deze nieuwe vorm te verteren zijn.

Alle voedingsmiddelen, met name het vlees, die in hun natuurlijke vorm onze tegenzin en juist het tegendeel van eetlust opwekken, zijn slecht voor onze gezondheid, ook al smaken zij nog zo goed in bereide en gekookte toestand.





K.L. Sarma

(1879 – 1965)

Bekend als de Vader der Natuurgeneeswijze in India

"Hij die eet om het plezier van het eten zelf, zal vroeg of laat zijn
gezondheid verliezen, en slachtoffer worden van diepgewortelde ziekten
en voortijdig overlijden, terwÿl hij ondertussen de industrieën verrijkt"

K.L. Sarma stamt uit een familie met hoog aanzien. Met veel succes ontwikkelde hij deze wetenschap verder met honderden theorieën, schakelde Naturopathie in de hoogste versnelling en gaf een nieuwe dimensie aan de Natuurgeneeswijze. Hij besteedde 52 jaar van toegewijde en onafgebroken dienstbaarheid om de hulpbehoevende mensheid te genezen.

K.L. Sarma schreef het boek, Praktische Natuur Genezing. Hij richtte het Naturopathie Sanatorium op (1916) en het Indiase Instituut voor Natuurlijke Therapieën (1941). Het Gouden Tijdperk in de geschiedenis van onze beweging is ten einde gekomen. Een grote persoonlijkheid, een intellectuele en spirituele gigant is uit ons midden verdwenen, een leegte achterlatend die niet gemakkelijk door één man gevuld kan worden. Hij was onze vooraanstaande Natuur Genezer en een filosoof, een “Maha Yogi”. Vele Engelse edities en een aantal van de Franse en Duitse edities sinds 1920, worden tot de beste van Bhagavan Sri Raman’s filosofie gerekend die tot nu toe geschreven zijn. Hij was ook een Sanskrit filosoof en pundit (hindoe geleerde).

Zijn droom werd werkelijkheid toen zijn kinderen Naturopathie studeerden en beoefenden. Hij en zijn kinderen predikten Naturopathie in heel India gedurende meer dan 70 jaar en bewezen aldus hun waarde aan de wereld.